<< ou <<

 

WOORDBEELD POEZIE

( Poésie Motimage, Article en néerlandais paru dans la revue Scriptores, revue de calligraphie)

En toen was ik in Nederland. Na een tijd merkte ik dat het eigenlijk veel beter was om de taal te leren. Bovendien sprak ik weinig Frans meer, kon niet luisteren naar interessante radio zenders zo als France Culture, er waren weinig Franse films, kortom de wereld van mijn jeugd verdween langzaam. Maar een nieuwe taal leren is geen vaten doen communiceren. De ene vervangt niet de andere. Ik voelde mij niet compleet in de nieuwe taal. Ik miste iets: een bodem. Ik zou nooit een echte Nederlander worden, compleet met jeugd herinneringen, pindakaas en Sinterklaas en speculaas. Toen ik het besefde heb ik voor Frans gekozen.. Ik ben opnieuw gaan studeren (ik was al in het bezit van een propedeuse Moderne Letteren), ik ben docent geworden op een Leraren Opleiding, en ik ben gaan schrijven. Op het begin puur om de band met mijn dierbare taal terug te vinden. Het Franse aanbidden, liefkozen, ik had mijn mond vol Frans.

Ik werd in vele kleine tijdschriften gepubliceerd, een paar kleine uitgevers (in de poëzie wereld is alles kleinschalig) gaven bundeltjes van mijn hand uit. Maar ik was niet tevreden met wat ik schreef noch met wat ik las. Altijd een beetje van hetzelfde, een beetje verheven, een beetje sentimenteel, een beetje oubollig. Ik was op zoek naar een poëzie die meer in overeenstemming met de moderne wereld was. Op de Katholieke Universiteit in Nijmegen waar ik taalkunde studeerde had ik ontdekt dat taal als communicatie middel onderdeel is van een heleboel handelingen. Dat poëzie dus oneindig veel meer kon zijn dan ongelijke regeltjes op papier. Poëzie staat altijd op of in iets. Het moest ook op billboards te zien zijn, op televisie, overal. De Calligrammes van Guillaume Apollinaire spraken me aan, de woorden van Stephane Mallarmé ook (“le vide papier que sa blancheur défend” het papier leeg(te) door zijn blankheid verdedigd/verboden). Zonder dat ik het wist was ik de weg naar de visuele poëzie aan het volgen.

Bovendien doceerde ik toen Franse literatuur aan eerste jaar studenten, kersvers van de middelbare school. Het was een crime voor iedereen. Hun Frans was absoluut niet toereikend en ik kon mijn ei niet kwijt. Ik zocht dus een weg om poëzie te schrijven die onafhankelijk van taal was, een uitdrukkingsvormdie het mogelijk maakte poëzie te ervaren zonder dat je door woorden in een bepaald en bepalende taal belemmerd werd. Tijdens een reis in China, in een grauwe zaal van het Historische Museum van Peking, werd ik als door een bliksem geslagen door de adembenemend schoonheid van de Chinese kalligrafie. Ik verstond uiteraard niet wat de woorden betekenden, maar kon ik ze ZIEN, en mijn eigen (gevaarlijke) interpretaties eraan toevoegen. Ik begon anders te lezen. Minder of helemaal niet onmiddellijk naar de betekenis maar eerst kijkend naar de vormen. Net als een kind dat leert lezen kijkt naar vreemde en ingewikkelde vormen. Die letters die we elke dag onder ogen hebben werden mij zichtbaar, aanwezig. Ik volgde kalligrafie lessen bij Ju-Jun, een Chinese schilder net in Nederland aangekomen, en iets later nam ik deel aan de toelating examen van de Hoge School van de Kunsten in Arnhem.

Bij Ju-Jun leerde ik dat ik mijn penseel als een speer in mijn hand moest houden, dat ik niet op maar IN het papier moest tekenen, dat elke beweging eigenlijk eindeloos was en zich in de ruimte voorzette, dat ik naar Shi moest zoeken, de bezielde innerlijke beweging. Ik bewonderde de ontelbare variaties in schrift, en het feit dat de Chinese de meeste uiteenlopende handschriften toch kunnen blijven lezen en zelfs hoog waarderen. De Chinese kalligrafie is heel strak en tegelijkertijd los. Er is maar één manier om een penseel streek neer te zetten, één volgorde van handelingen, maar daarin ben je volkomen vrij. Bij hem leerde ik zelfs mijn lelijke en onleesbaar handschrift te appreciëren.


Op de Hoge School leerde ik aanvankelijk niet veel. Ik moest vooral mijzelf vinden. Daar kwam ik niet voor. Maar wel verlies ik mijn minderwaardigheid complex ten opzichte van het tekenen, tekenen kun je leren, en werd ik gedwongen kleur te gebruiken. Ik had, en heb nog steeds, moeite met het tekenen op zich, dat wil zeggen, waar, hoe en waarom moet ik het papier aanraken. Tekenen is fundamenteel anders dan schrijven. Bij het schrijven (althans bij ons) begin je links boven, vervolgens ga je naar rechts, en weer naar links tot je onder rechts gekomen bent. In mijn zoektocht naar een visuele poëzie wilde ik de basis principes van het schrijven en de basis vormen van de letters niet loslaten. Mijn doelstelling was, en is nog steeds, toch leesbaar te blijven. Wel neem ik vrijheden met de grootte van de letters ten opzichte van elkaar, en de verhoudingen van de verschillende onderdelen binnen de letter. Die zijn onderworpen aan de uiteindelijke uitbeelding.

Vanaf het begin ben ik figuratief gaan schrijven. Het klinkt vreemd, maar het is zo. Ik beeld iets uit met woorden: een mens in een landschap, een rivier in de mist, een gezicht, een dier, een bloem…Het resultaat is het totaal beeld, de betekenis of gelijkenis van het beeld plus de betekenis van de woorden. Ze kunnen elkaar ondersteunen, tegenspreken, of totaal iets anders zijn met voor mij een innerlijke relatie. Zo is het ook met kleur. Kleur is moeilijk. Tot die tijd had ik me beperkt tot de basale kleuren van het schrift: zwart op wit en soms wat rood erbij. Kleur was vroeger door de Kerk verbannen. Het was heidens, en leidde af van Het Woord Het kan snel afleiden, of effecten bejagen. Ik gebruik kleur om een betekenis aan te geven. Voor mij is kleur zo als bij een pictogram. Het draagt bij om de betekenis van het woord te verrijken.Bij voorbeeld is in mijn werk de zon geel. Niet omdat de zon in de werkelijkheid geel is, maar omdat men de zon gewoon geel tekent; en het gele bolletje met rondom strepen betekent dan “zon”.

Op die manier (men kan zeggen met die beperkingen, of met die eigenzinnige dichtregels) ben ik korte gedichten gaan schrijven, nog altijd in het Frans, maar die toch ‘leesbaar’ of beter gezegd ‘kijkbaar’ zijn door mensen die geen Frans spreken. De eerste experimenten zijn samen gebundeld geweest in een boek: Bannières, met de hand geschreven en op de drukpers van Jan Keizer vervaardigd. Het staat nu in het Boeken Museum in den Haag, samen met een tweede, Animots, die bovendien, naast boekdruk en handgekleurd, ook gezeefdrukt werd.

Na Animots vroeg iemand mij of ik niet in het Nederlands hetzelfde wilden doen. Ik vond het een vreemd idee, tenslotte was ik dit alles begonnen om mijn Frans niet te verliezen. Ik dacht dat het mij nooit zou lukken. Zo is Alfabet(e) ontstaan, 25 dierennamen, 25 letters van het alfabet, van aap tot zwaan. (Slechts de X ontbreekt, omdat in het Nederlands geen dierennaam met een X begint). Door in het Nederlands te gaan schrijven is het mij duidelijker geworden dat de beeldende waarden van de woorden niet taal gebonden zijn, en dat ik een stap verder kon in het maken van een algemeen visueel poëzie.

Ik had een schrijfwijze gevonden die mij echt nieuwe mogelijkheden bracht. Ik ging op bezoek bij Nederlandse visuele dichters: Geert-Jan de Rook, Pier van Dijk, Robert Joseph. Trouw aan mijn principes om de poëzie van het boek te bevrijden, heb ik monumentale gedichten van balen oud papier opgebouwd, gedichtmolens van katoen, gedichten van fiberglas, van marmer. Ik heb gedichten in de grond gespit, een troosteloze voorstad van Lille in één groot gedicht veranderd, dicht-objecten, dicht-installaties gemaakt, met geluid en video. Uitgaande van het slagwoord dat de poëzie de wereld verlicht heb ik een serie dicht-lampen gemaakt. Ik maak dicht-trouwkaartjes, dicht-geboortekaartjes, gedichten van een of twee of meerdere woorden, gedichten voor de keuken en voor de woonkamer. Kortom, ik verwezenlijk een van mijn idealen: poëzie kan overal.

De laatste jaren ben ik veel met de computer bezig. De computer is niet meer weg te denken van onze omgeving. Hedendaagse experimentele poëzie maakt gebruik van allerlei elementen die dragen bij de communicatie: woorden, maar ook beelden, klanken, gebaar. Elektronische poëzie zitin het verlengde van deze stromingen Bij e-poëzie (zo wordt het wel een genoemd) komt poëzie door Internet aan. Een klik en er is poëzie. Nog een klik en is hij verdwenen. De “lezer” kan doen wat hij wil: open, dicht, terug, vooruit, snel, langzaam. Het lees/kijkgedrag is totaal anders, gericht op kleur, beweging, vorm, het bekijken van animaties. Hoewel mijn uitdrukkingsmiddelen door het gebruik van de computer veel ruimere zijn geworden, het basis idee dat een geschreven woord ook een beeld is, blijft een kern van de computerpoëzie. De Braziliaan Augusto dos Campos zegt dat op het computerscherm een woord is een variant van het beeld geworden. Al die icoontjes waarin betekenis schuilen: “doe dit, ga daar, open het, click hier, pas op” kun je ook zien als een hedendaags schrift. Een nieuw communicatie gebied wordt ontgonnen. Dichters zijn er al mee begonnen. Zo zie ik graag poëzie, in de voorhoede.

<< ou <<